Inhoud:
Inleiding
Hoofdstuk 1 . Geloofsgenoten in het Buitenland.
hoofdstuk 2. Buitenlandse Arbeidskrachten.
hoofdstuk 3. De Razzia van Rotterdam.
hoofdstuk 4
hoofdstuk 5
Links en bronnen
Inleiding
Mijn vader, Jan Tenthof van Noorden, was tijdens de Tweede Wereldoorlog van 10 november 1944 tot 15 juni 1945 te werk gesteld in Nazi-Duitsland bij het Bahnbetriebswerk Wuppertal-Langerfeld van de Deutsche Reichsbahn. Gedurende deze periode heeft hij een dagboek bijgehouden, twee schriften, tachtig pagina’s zeer klein geschreven en dit dagboek is 55 jaar voor de familie verborgen gebleven.

Over de Tweede Wereldoorlog werd bij ons thuis niet gesproken, gedurende de eerste dagen van mei, wanneer er elk jaar oorlogs films en documentaires werden vertoond op de televisie, ging deze bij ons thuis niet aan. De oorlog had mijn vader heel ver weggestopt en als er over de oorlog gesproken werd, kregen we alleen te horen, dat pa kolen had geschept in wagons in Wuppertal en dat hij alleen maar koolsoep had gegeten, en dat het verschrikkelijk was geweest.
Enkele jaren voor zijn overlijden, zo rond het jaar 2000 kwam het dagboek te voorschijn tijdens het opruimen van een kast waarvan we dachten dat er alleen maar zijn postzegelalbums in stonden. Zijn schoondochter Jacqueline heeft het uitgetypt en ondergetekende heeft het waar nodig aangevuld met informatie van bewaard gebleven documenten en na onderzoek in Wuppertal. De oude spelling is zoveel mogelijk omgezet naar nieuwe spelling zoals “menschen” naar “mensen” en “Poolsche” naar “Poolse”. Verder schreef hij letterlijk over “Lager” en “Lagerführer” dit heb ik zo overgenomen, vertaald in het nederlands is dit eigenlijk “Kamp” en “Kampcommandant”. De tekst heb ik verder zoveel mogelijk onveranderd gelaten, ondanks de vaak korte zinnen, dann wel opsommingen van kreten. Door zijn slechte lichamelijke toestand kon hij soms zijn gedachten moeilijk ordenen en sprong hij van de hak op de tak. Om de familie banden tussen de vernoemde personen in het dagboek beter de kunnen begrijpen, mijn vader zijn ouders waren in 1934 gescheiden, mijn vader had drie zussen, Rie, Loes en Wil en twee broers Harry en Wim. Verder had zijn vriendin Joke (en latere vrouw) een broer Anton en vijf zussen, Beb, Sjaan, Cor, Nel en Hennie.
Omdat mijn vader in het dagboek vaak schreef over problemen met lopen, hier een kleine toelichting. Op 19 jarige leeftijd (1933) had hij een ontsteking aan zijn voet en verbleef lang in het ziekenhuis, door bestralingen aan zijn voet (een techniek die toen nog niet zover ontwikkeld was) miste hij enkele middenvoetsbotjes, waardoor hij de rest van zijn leven met aangepast schoeisel liep.

Mijn vader wilde niet dat het dagboek openbaar gemaakt werd, hij had alles opgeschreven, om zaken niet te vergeten, en dat hij bij thuiskomst dit kon vertellen aan zijn moeder, zijn zus Wil en zijn vriendin Joke.
Ik heb er lang over nagedacht of ik dit dagboek uberhaupt zou openbaren, met respect voor de wens van mijn vader heb ik al zijn persoonlijke herinneringen weggelaten, zoals zijn vele berichten en zorgen om zijn moeder, broers en zussen en zijn vriendin en latere vrouw Joke. Over zijn vaste geloof in God, dat alles goed zou komen en zijn dagelijkse bezoeken aan de plaatselijke kerk. Toch vond ik, omdat er zo weinig over de arbeidseinsatz is geschreven dat dit verhaal verteld moest worden. en dat wij niet mogen vergeten dat vanuit Nederland 500.000 tot 630.000 mannen werden tewerkgesteld, en dat 27.000 van hen om het leven kwamen en 7.500 mannen werden na de oorlog vermist.
In de verzetskranten schreef men, dat wie een oproep kreeg voor de arbeidseinsatz moest onderduiken, Maar niet iedereen durfde dit of kon dit! Maar wie na de oorlog terugkwam, kreeg daardoor wel de vraag: Waarom ben je niet ondergedoken? Vele mannen kwamen terug met een trauma, over de oorlog werd niet meer gesproken en ook niet over de tewerkstelling. Hoewel er bibliotheken zijn volgeschreven over de Tweede Wereldoorlog is het onderwerp van de arbeidseinsatz, de gedwongen tewerkstelling in Nazi-Duitsland nog lang onderbelicht gebleven. In 2023 werd pas een monument onthuld voor de Razzia van Rotterdam, de grootste in zijn soort, waarbij ruim 50.000 jongens en mannen door de Duitsers werden opgepakt om in Duitsland te werkgesteld te worden. In augustus 1944 waren er 7,6 miljoen werknemers in Duitsland te werkgesteld. Een kwart van de werkende bevolking was buitenlands.

HOOFDSTUK 1 . Geloofsgenoten in het Buitenland.
Mijn vader was actief lid van de R. K. kerk van Sint Franciscus van Assisië aan het Afrikaanderplein te Rotterdam-zuid. Hij was lid van verschillende aan de kerk verbonden verenigingen: een Toneelvereniging, dansclub, de Kolpingzonen/Jozefgezellen, (Een interparochiële St. Josephsgezellenvereniging was een landelijke rooms-katholieke standsorganisatie bestemd voor jonge arbeiders. De St. Josephsgezellenvereniging staat ook wel bekend als ‘Kolping’s zonen’, naar de oprichter, de Duitse priester Adolph Kolping (1813-1865). En hij was lid van de in de oorlog opgerichte G.I.B. Toen de bevolking te maken kreeg met de verplichte arbeidseinsatz, werden de weggevoerde parochinanen niet in de steek gelaten. Koos de Jong, parochiaan van de St.Franciscus van Assisië parochie richtte in september 1942 een vereniging op onder de naam Geloofsgenoten in het Buitenland (GIB). Het doel was samen met enkele andere parochianen schriftelijk contact te houden met hen, die in Duitsland moesten werken. Elke twee weken schreven zij een brief. De brief van 5 oktober 1943 kreeg een onaangenaam staartje. Hij opende met een ernstig woordje en daarna volgden er wat uitslagen van prijsvragen. De winnaars kregen een GIB-pakket. Daarna volgden nieuwe prijsvragen. Een daarvan luidde: geef zo veel mogelijk andere betekenissen voor de letters GIB bijv. ‘Geef in bankbiljetten’. Veel brieven kwamen terug met oplossingen als ‘Goebbels is een boef’ en ‘geef Hitler een bom’. De Duitsers raakten hiervan op de hoogte. Daarop werd het GIB-lokaal verzegeld. Twee leden van de vereniging te weten mijn vader Jan Tenthof van Noorden (die eerst was onder gedoken) vergezeld van zijn zwager en kapelaan L.A. van Teijlingen die kapelaan Verburg meenam , moesten zich melden bij de S.D. in Den Haag. Ze vertrokken met lege zakken om niet het gevaar te lopen iets bij zich te hebben, dat om een of andere reden was verboden, waardoor er nieuwe problemen zouden ontstaan. Bovendien hadden ze zich goed voorbereid, dat ieder van hen hetzelfde verhaal zou vertellen. Het verhoor door Seyss-Inquart had geen nare gevolgen. Ze zeiden dat ze deze reacties niet verwacht hadden en dat dit ook niet de bedoeling was van de prijsvraag. Terug in Rotterdam, kregen zij in een volle kerk een luid applaus en volgde er een H.Mis uit dankbaarheid voor hun veilige terugkeer.

HOOFDSTUK 2. Buitenlandse arbeidskrachten.
Vanaf maart 1942 was Fritz Sauckel hoofdverantwoordelijk voor de arbeidseinsatz. Sauckel kreeg zijn aanwijzingen direct van Hitler. Hij was een van de tien nazi-kopstukken die na het Neurenberg-tribunaal werden opgehangen. Na zijn aanstelling beschreef hij zijn strategie. Alle mannen (krijgsgevangenen en buitenlandse civiele arbeiders) moeten gevoed, beschut en zo behandeld worden dat ze zo veel mogelijk uitgebuit worden tegen de laagst denkbare kosten. Economisch waren die buitenlandse werknemers van groot belang. En ze werden belangrijker naarmate er meer Duitse mannen naar het front vertrokken.
Mijn vader en zijn twee broers kregen alle drie een oproep om zich voor keuring te melden bij het Gewestelijk Arbeidsbureau Rotterdam aan de 1e Middellandstraat 103, voor tewerkstelling in Duitsland. Zijn broer Harry werd te werk gesteld bij Mercedes Benz in Bonn en verbleef aldaar in Hotel Schloshof aan de Clemens Auguststrasse. Zijn broer Wim werd te werk gesteld in het Barakkenlager Rietmüller in Sindelfingen bij Stuttgart. Mijn vader kreeg nog een tweede oproep maar dook echter onder.

De Duitse generaal Hermann Göring, schreef hier over in januari 1942, ‘Darüber hinaus wird es sich bei der verschärften Arbeits-einsatzlage nicht umgehen lassen, Arbeitskräfte aus den besetzten Gebieten auch zwangsweise in Deutschland einzusetzen’.
Met de Razzia van Rotterdam van 10 en 11 november 1944 werd het mijn vader te link om nog langer onder te duiken en was hij bang dat bij ontdekking , zijn moeder en zus Wil zouden worden weggevoerd. Hier begon dan zijn dagboek, op weg naar Wuppertal. Hij verbleef in Wuppertal-Langerfeld tot 6 maart 1945. Hierna was hij zes weken onder gedoken bij een boer in Oldenzaal, daarna twee weken in quarantaine bij het Rode kruis in Oldenzaal, maar Rotterdam was nog niet te bereiken. Na een maand bij zijn oom en tante in Maastricht keerde hij pas rond 15 juni 1945 terug in Rotterdam.
De situatie in de stad Wuppertal in 1944 was als volgt, een stad met 260 duizend inwonerts, waarvan alle mannen bij de Wehrmacht diende, was overspoeld met 16,5 duizend dwangarbeiders en 3 duizend krijgs-gevangenen en dagelijks kwamen er nog velen bij (naar schatting tussen de 20 en 25 duizend), verdeeld over meer dan honderd bedrijven en lagers. De 16,5 duizend dwangarbeiders bestonden ongeveer uit 9,3 duizend mannen, en 7,2 duizend vrouwen, daarvan waren 9,9 duizend Oostarbeiders. Dit was op de steekdatum 30-9-1944, exacte aantallen zijn niet bekend. Aan het eind van de oorlog trof men in totaal, tussen de 18 en 20 duizend dwangarbeiders en krijgsgevangenen aan. Bij dit aantal zitten niet de meer dan duizend in Wuppertal gestorven dwangarbeiders en krijgsgevangenen en de reeds vele gevluchte personen.
Polen waren vanaf1940 verplicht te werk gesteld in Duitsland, dit was voor de jaargangen 1915 t/m 1925. Oostarbeiders: Russen, Ukrainer en Witrussen, mannen en vrouwen tussen de 14 en 65 jaar waren verplicht te werken in Duitsland. In 1941 waren in Duitsland werkzaam, 24 miljoen Duitsers, 2 miljoen buitenlandse werknemers en 1,5 miljoen krijgsgevangenen. Zonder de inzet van deze krijgsgevangenen en dwangarbeiders had de oorlog nooit zo lang geduurd, hiervoor was dan ook dit systeem van dwangarbeid in het leven geroepen. In het jaar 1942 moesten alle mensen die werkloos waren gaan werken in Duitsland, dit gold voor de landen: België, Nederland, Frankrijk, Noorwegen en Servië. Verder werden in deze landen mensen geworven, als door werving niet voldoende mensen vrijkwamen, dan door dwang. Om gaten in de industrie op te vullen, waar Duitsers voor de Wehrmacht, het leger waren opgeroepen.

In augustus 1944 waren 5,7 miljoen buitenlandse arbeidskrachten werkzaam in Duitsland. De Duitse bevolking mocht geen contact hebben met de buitenlanders, zeker niet met Polen en Russen, en andersom ook niet, dit was strafbaar.
Hier twee voorbeelden uit het boek “Auslander im Arbeitseinsatz in Wuppetal” van Florian Speer, uitgegeven in 2003.
Pagina 151, Helmut W. uit Langerfeld gaf mevrouw Erna K. aan bij de Gestapo, nadat hij van zijn schoonzus vernomen had, dat mevrouw Erna K. omgang had met een Franse krijgsgevangene.
Pagina 152, Mevrouw Irmgard H. werd veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf, nadat zij een Franse krijgsgevangene, werkzaam als vuilnisman, 10 met boter en honing besmeerde boterhammen met worst, 3 pond tomaten en 2 pond peren had gegeven en daarbij betrapt werd.
Florian Speer gaf in zijn boek nog vele voorbeelden van mensen, die met gevaar voor eigen leven dwangarbeiders geholpen hadden, en wie dit dagboek straks heeft gelezen, zal tot de zelfde conclusie komen, dat mijn vader zonder hulp van de familie Wilhelm Heil, Von Timpen 42 en de familie Walter Bläser, Inselstrasse 21 uit Wuppertal waarschijnlijk de oorlog niet had overleefd.
De behandeling van buitenlanders was verschillend, eerst kwamen de Nederlanders, Belgen en Scandinaviers, daarna de Fransen, Spanjaarden en Italianen, dan de Polen en als laatste en het slechts werden de Oostarbeiders behandeld. De Polen en de Oostarbeiders waren gebrandmerkt door een P of Ost op hun kleding te dragen. Eind1944 werden de Polen en Oostarbeiders niet meer benadeeld, toen men in Duitsland inzag dat de oorlog ten einde liep.

De bedrijven waar de buitenlanders werkzaam waren verdienden weinig aan de buitenlandse arbeiders, het deel dat zij goedkoper waren, moesten zij afdragen aan de staat, plus moesten zij zorgdragen voor eten en huisvesting. Een loonuitkering van een Poolse werknemer hier als voorbeeld: Weekloon 20 Reichsmark, Bealsting 7,4 RM, Onderhoud en Eten 10,5 RM, Uitbetaald 2,10 RM. West Europese werknemers kregen iets beter betaald, maar er waren grote verschillen in behandeling van de buitenlanders bij de bedrijven en dit gold ook voor het eten en de huisvesting, het eten was vaak slecht en in de normale winkels konden de buitenlanders niet terecht. Brieven versturen naar achter gebleven familie was mogelijk, op de postkantoren moest men zich wel legitimeren en dit moest overeen komen met de afzender, want alle post werd gecontroleerd.
WORDT VERVOLGD.